Deelreglement Distributie van de Stichting Nederlands Fonds voor de film

Geraadpleegd op 16-05-2024. Gebruikte datum 'geldig op' 01-01-2024 en zichtdatum 29-04-2024.
Geldend van 01-01-2023 t/m heden

Deelreglement Distributie van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film

Het bestuur van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film,

gelet op het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht,

gelet op artikel 10, lid 4, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid,

gelet op artikel 2 van het Algemeen Reglement,

met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 23 december 2022,

besluit:

Algemeen

Artikel 1. – Definities –

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • arthouse film: een speelfilm waarbij de nadruk op de artistieke kwaliteit ligt en het eindresultaat dusdanig eigenzinnig en bijzonder is dat dit nationaal en/of internationaal herkend en gewaardeerd wordt;

  • bestuur: het bestuur van het Fonds;

  • bioscoop: een publiek toegankelijke uitgaansgelegenheid die op continue basis gericht is op de commerciële vertoning van filmproducties;

  • bioscoopexploitant: de rechtspersoon die op continue basis bedrijfsactiviteiten ontplooit met als hoofddoel de exploitatie van één of meer bioscopen in Nederland;

  • bioscoopuitbreng: de landelijke distributie van een filmproductie, die na de première – maar voorafgaand aan de non theatrical release – in een significant aantal bioscopen en/of filmtheaters voor een betalend publiek in Nederland wordt uitgebracht;

  • crossmediaal marketing & distributieplan: een gedetailleerd plan van alle activiteiten op het gebied van marketing en distributie, waarbij gebruik gemaakt wordt van alle mogelijke vormen van promotie, publiciteit en (social) media, ten behoeve van de bioscoopuitbreng en verdere exploitatie van de filmproductie;

  • DCP: de digitaal opgeslagen kopie van de filmproductie (digital cinema package), die in een bioscoop kan worden vertoond;

  • distributie: de professionele uitbreng en exploitatie van filmproducties;

  • documentaire: een non-fictie filmproductie van tenminste 70 minuten geschikt voor bioscoopvertoning die een aspect van de werkelijkheid belicht waarbij de eigen visie van de regisseur wordt vormgegeven met creatieve gebruikmaking van filmische middelen in een persoonlijke stijl;

  • encoderingkosten: digitale omzetting van een filmproductie ten behoeve van een digitale bioscoopuitbreng;

  • estimates: verwachtingen van de bruto en netto inkomsten afkomstig uit alle vormen van exploitatie in een laag (low), gemiddeld (medium) en hoog (high) exploitatiemodel met daarin tevens opgenomen VOD en/of andere digitale distributie en de bezoekersprognose en aantal verkochte eenheden DVD en BluRay in de verschillende exploitatiemodellen;

  • filmdistributeur: een rechtspersoon die op continue basis bedrijfsactiviteiten ontplooit met als hoofddoel de uitbreng en exploitatie van filmproducties in de Nederlandse bioscoop en via andere distributiekanalen. De rechtspersoon is ten tijde van de subsidieaanvraag gedurende minimaal twee jaar daarvoor gevestigd en actief geweest in Nederland, een lidstaat van de Europese Unie, of in een Staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of in Zwitserland;

  • filmproductie: een cinematografisch werk;

  • filmtheater: een publiek toegankelijke uitgaansgelegenheid gericht op de vertoning van filmproducties aan in filmkunst geïnteresseerd publiek waarbij een bijdrage wordt geleverd aan de diversiteit van het culturele filmaanbod;

  • Fonds: Stichting Nederlands Fonds voor de Film;

  • kinder- en jeugdfilm: een speelfilm of documentaire voor kinderen en/of jongeren;

  • korte filmproductie: een filmproductie met een maximale lengte van 10 minuten;

  • majoritaire filmproductie: een (internationale) filmproductie waarbij de Nederlandse producent een majoritair (co)producent is en de filmproductie op basis van de samenstelling van het artistieke team als Nederlands aan te merken is;

  • marketing & promotie: activiteiten die zijn gericht op het maximaliseren van het publieksbereik en een heldere positionering van de filmproductie aansluitend op de doelgroep en onder meer bestaan uit het opstellen en uitvoeren van een op de filmproductie toegesneden crossmediaal marketing en distributieplan met uitwerking van de plaats van uitbreng, het opstellen en uitvoeren van een media en publiciteitsplan, de promotie, het opzetten en uitvoeren van eventuele merchandising.

  • minimum garantie: een voorschot op exploitatieopbrengsten dat geïnvesteerd wordt in de realisering of aankoop van een filmproductie en niet terugvorderbaar, maar verrekenbaar is met opbrengsten die een filmproductie kan genereren door vertoning in bioscopen en verdere exploitatie in de ruimste zin des woords;

  • minoritaire coproductie: een in de Nederlandse bioscoop en/of filmtheaters uit te brengen (internationale) filmproductie, waarvoor de Nederlandse producent in beperkte mate beslissingsbevoegd en verantwoordelijk is en die een minderheid van de financiering van de filmproductie bijeen heeft gebracht;

  • NFO: Nederlands Filmtheater Overleg;

  • non theatrical release: alle mogelijke vormen van distributie van een filmproductie, uitgezonderd die via bioscopen en filmtheaters, waaronder in ieder geval wordt begrepen de distributie op DVD en Blu ray, via televisie, Video On Demand, pay per view- en online distributiekanalen;

  • on demand: digitale toepassingen die de gebruiker, per filmtitel of in de vorm van een abonnement in de gelegenheid stelt om, op het moment dat hij het wil filmproducties te bekijken;

  • openbaarmaking: het aan het publiek bekend maken middels vertoning van de filmproductie;

  • outreach campagne: een marketingmethode waarbij gericht gezocht wordt naar geloofwaardige ‘influencers’ (mensen, organisaties, stichtingen enz.) die een duidelijke en sterke link hebben met het onderwerp van de film, die op hun beurt een heel gerichte doelgroep kunnen bereiken en informeren over de film;

  • picture lock: de definitief vastgestelde montageversie van de filmproductie, op basis waarvan de verdere nabewerking plaatsvindt;

  • printkosten: de kosten voor het verveelvoudigen en/of vervaardigen van een DCP voor vertoning van de filmproductie;

  • prints & advertising (P&A): de directe kosten na de fase van realisering die samenhangen met de bioscoopuitbreng en promotie van de voor vertoning gereed zijnde filmproductie en de kosten van de uitbrengkopieën (printkosten/DCP);

  • producent: de natuurlijke persoon die de productiemaatschappij rechtsgeldig vertegenwoordigt en binnen de organisatie van de productiemaatschappij beleidsmatig, bedrijfsmatig en inhoudelijk eindverantwoordelijk is;

  • productiekosten: de kosten gemoeid met de realisering van een filmproductie;

  • productiemaatschappij: een rechtspersoon die op continue basis bedrijfsactiviteiten ontplooit met als hoofddoel de productie en exploitatie van filmproducties en andere audiovisuele mediaproducties. De rechtspersoon is ten tijde van de subsidieaanvraag gedurende minimaal twee jaar daarvoor gevestigd en actief geweest in Nederland, een lidstaat van de Europese Unie, of in een Staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of in Zwitserland;

  • speelfilm: een filmproductie in het genre fictie met een vertoningsduur van tenminste 60 minuten, die primair bestemd is voor bioscoopuitbreng;

  • subsidie: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten;

Artikel 2. – Toepasselijkheid reglementen –

  • 1 Dit deelreglement is van toepassing op subsidies die het bestuur verstrekt voor de distributie van majoritaire filmproducties en minoritaire coproducties, en de daarmee samenhangende marketing & promotie, en de distributie en daarmee samenhangende marketing & promotie van buitenlandse arthouse films waaronder in dit deelreglement ook buitenlandse kinder- en jeugdfilms en documentaires worden verstaan.

  • 2 Het Algemeen Reglement van het Fonds is van toepassing naast en in aanvulling op dit deelreglement.

Artikel 3. – Aanvrager –

  • 1 Een aanvraag in de zin van dit reglement wordt gedaan door een filmdistributeur. Indien de filmdistributeur behoort tot dezelfde groep van ondernemingen als de productiemaatschappij en/of de daaraan verbonden producent, kan het bestuur nadere voorwaarden stellen.

  • 2 In uitzondering op het eerste lid kan onder nadere voorwaarden een aanvraag voor de bioscoopuitbreng in Nederland van een Nederlandse majoritaire filmproductie ook worden gedaan door een productiemaatschappij, vertegenwoordigd door een producent, in geval er sprake is van een specifieke landelijke uitbreng in filmtheaters en/of via andere distributiekanalen gericht op een specifieke doelgroep waarbij;

    • a) er geen filmdistributeur bereid is gevonden om de filmproductie op deze wijze uit te brengen; en

    • b) de bioscoopuitbreng en non theatrical release aantoonbaar is gegarandeerd en in samenwerking geschiedt met een filmmarketing- of -publiciteitsbureau:

  • 3 Een aanvraag voor een vertoningsbijdrage wordt gedaan door een in Nederland gevestigd(e) filmtheater of bioscoop.

  • 4 Het bestuur kan nadere voorwaarden stellen aan de aanvrager en/of aanvraag. Deze worden op de website van het Fonds gepubliceerd.

Artikel 4. – Aanvraag –

  • 1 Een aanvraag wordt digitaal ingediend, waarbij een door de aanvrager ondertekende kopie van deze digitale aanvraag aan het Fonds wordt overgelegd.

  • 2 Aanvragen voor een subsidie op grond van de artikelen 13,16 en 21 worden in indienrondes behandeld.

  • 3 De aanvrager overlegt bij de aanvraag in ieder geval een verklaring waarin hij garandeert, al dan niet door middel van een licentie, over de voor subsidieverlening noodzakelijke vertoningsrechten op de filmproductie(s) te beschikken.

  • 4 Voor subsidie die wordt aangevraagd op grond van de artikelen 8, 13 en 16 in dit deelreglement, wordt bij de aanvraag het volgende overgelegd:

    • a) een door de aanvrager opgesteld crossmediaal marketing- en distributieplan met bijbehorende begroting en garanties, dat gericht dient te zijn op het behalen van een optimaal publieksbereik via een bioscoopuitbreng en non theatrical release;

    • b) een verklaring waarin de aanvrager garandeert dat zijn financiële positie, en dan met name de relatie tussen beschikbare middelen en aangegane verplichtingen voorafgaand aan de aanvraag, niet dusdanig is verslechterd dat de stabiliteit en solvabiliteit van de aanvrager in gevaar komt en, naar de reële verwachting van de aanvrager, een dergelijke verslechtering ook niet zal optreden;

    • c) In het geval van buitenlandse arthouse film of een buitenlandse kwalitatieve kinder- en jeugdfilm: een screeninglink van de film.

  • 5 Aanvragen voor een vertoningsbijdrage van een filmtheater of bioscoop dienen uiterlijk vóór 31 januari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarin de resultaten zijn bereikt te worden ingediend.

Artikel 5. – Subsidievorm –

  • 1 De subsidie die op grond van dit reglement wordt verleend, wordt verstrekt in de vorm van een bijdrage á fonds perdu, tenzij bijzondere omstandigheden een subsidie in de vorm van een lening rechtvaardigen. Deze lening dient terug betaald te worden uit inkomsten die worden verkregen uit de exploitatie van de filmproductie.

  • 2 Aan de subsidie voor distributie op grond van dit reglement kan het bestuur nadere voorwaarden verbinden.

Artikel 6. – Subsidiabele marketing & promotie, prints & advertising kosten –

  • 1 Onder een subsidie ter tegemoetkoming in de kosten voor marketing & promotie, prints & advertisingwordt in dit deelreglement verstaan: de betreffende kosten zoals deze zijn opgenomen in de lijstSubsidiabele kosten marketing, prints & advertising en zijn vastgelegd in het Financieel & Productioneel Protocol van het Fonds.

  • 2 Een bijdrage in de vorm van een minimum garantie, of een andersoortige bijdrage van de filmdistributeur in de productiekosten van de filmproductie, wordt niet gerekend tot de subsidiabele kosten voor marketing & promotie, prints & advertising.

  • 3 Ten minste 20% van de begrote kosten voor marketing & promotie, prints & advertising dient aantoonbaar door de aanvrager te worden gefinancierd.

Artikel 7. – Subsidieplafonds –

Het bestuur kan jaarlijks en/of per aanvraagronde een subsidieplafond vaststellen. Deze worden op de website van het Fonds gepubliceerd: www.filmfonds.nl

Bijzondere bepalingen

1. Nederlandse majoritaire filmproductie en minoritaire coproductie

Artikel 8. – Subsidiabele activiteit –

  • 1 Nederlandse majoritaire filmproducties en minoritaire coproducties, die kwalificeren als speelfilms en documentaires kunnen in aanmerking komen voor een subsidie ter tegemoetkoming in de kosten voor marketing & promotie, prints & advertising ten behoeve van de bioscoopuitbreng in Nederland.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan het bestuur in naar zijn oordeel bijzondere gevallen, op grond van een gemotiveerde aanvraag, de subsidie toekennen ten behoeve van een non theatrical release.

  • 3 Het bestuur kan een bijdrage verlenen voor de bioscoopuitbrengvan een korte filmproductie van maximaal 10 minuten die tot stand is gekomen met een realiseringsbijdrage op grond van het Deelreglement Realisering van het Fonds, die vertoond wordt als voorfilm bij een hoofdfilm met een bioscoopuitbreng.

Artikel 9. – Vereisten aanvraag –

Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf het moment dat de subsidie voor realisering op grond van het Deelreglement Realisering door het Fonds aan de filmproductie is verleend, tot uiterlijk zes weken voor aanvang van de bioscoopuitbreng of non-theatrical release van de filmproductie waarvoor een subsidie wordt aangevraagd.

Artikel 10. – beoordelingscriterium –

Voor een toekenning dient het cross mediaal marketing- en distributieplan met bijbehorende begroting en onderliggende garanties omtrent de bioscoopuitbreng of non theatrical release van zodanige kwaliteit te zijn, dat naar het oordeel van het bestuur sprake is van een haalbare, doordachte en realistische publieksbenadering op basis waarvan de filmproductie een optimaal bereik zal hebben.

Artikel 11. – Verplichtingen –

Aan de verlening van een subsidie kunnen de volgende verplichtingen worden verbonden:

  • a) er dient aantoonbaar sprake te zijn van een gedegen distributie in de vorm van een optimale bioscoopuitbreng of non-theatrical release;

  • b) er dient een periode in acht genomen te worden tussen de bioscoopuitbreng en non-theatrical release enerzijds en televisievertoning op het open net anderzijds.

Artikel 12. – Weigeringsgronden –

In aanvulling op artikel 14 van het Algemeen Reglement wordt een aanvraag voor een subsidie afgewezen indien sprake is van een filmproductie:

  • a) waarvoor geen realiseringsbijdrage op grond van het Deelreglement Realisering is verleend;

  • b) waarvoor geen crossmediaal marketing- & distributieplan en bijbehorende marketing- & distributiebegroting is opgeleverd die voldoen aan de eisen van het Fonds;

  • c) waarvoor geen garanties voor de bioscoopuitbreng of non-theatrical release zijn afgegeven;

  • d) die als minoritaire coproductie reeds een subsidie op grond van Bioscoopuitbreng buitenlandse arthouse film in Nederland (artikel 13 of artikel 16) heeft ontvangen;

  • e) waarvan de bioscoopuitbreng en/of non-theatrical release louter instrumenteel is of primair een promotioneel doel dient.

2. Buitenlandse arthouse film

§ 2.1. Bioscoopuitbreng buitenlandse arthouse film of documentaire in Nederland

Artikel 13. – Subsidiabele activiteit –

  • 1 Een aanvraag voor een financiële tegemoetkoming in de kosten voor marketing & promotie, prints & advertising ten behoeve van de Nederlandse bioscoopuitbreng en non-theatrical release, kan worden gedaan voor een buitenlandse arthouse film of buitenlandse documentaire die geselecteerd is geweest op tenminste één filmfestival die is opgenomen in de lijst International Filmfestivals, zoals vastgelegd in het Financieel & Productioneel Protocol van het Fonds.

  • 2 De buitenlandse arthouse film of buitenlandse documentaire dient een uitgesproken, kwalitatieve en onderscheidende internationale filmproductie te zijn, met een toegevoegde waarde voor de filmcultuur in Nederland.

Artikel 14. – beoordelingscriteria –

  • 1 Voor een toekenning dient:

    • a. de arthouse film of buitenlandse documentaire naar het oordeel van het bestuur te voldoen aan het bepaalde in artikel 13, tweede lid;

    • b. het cross mediaal marketing- en distributieplan met bijbehorende marketing- & distributiebegroting en onderliggende garanties omtrent de bioscoopuitbreng en non theatrical release van zodanige kwaliteit te zijn, dat naar het oordeel van het bestuur sprake is van een haalbare, doordachte en realistische publieksbenadering op basis waarvan de filmproductie nationaal een optimaal bereik zal hebben.

  • 2 Arthouse films of buitenlandse documentaires die voor een hoofdcompetitie van een internationaal A-filmfestival zoals vastgelegd in het Financieel & Productioneel Protocol van het Fonds geselecteerd zijn, hebben binnen deze regeling geen prioriteit.

Artikel 15. – Weigeringsgronden –

In aanvulling op artikel 14 van het Algemeen Reglement, wordt een aanvraag voor een subsidie afgewezen indien:

  • 1. er ten behoeve van de arthouse film of buitenlandse documentaire reeds een bijdrage op grond van het Deelreglement Distributie is verleend;

  • 2. de aanvrager in hetzelfde kalenderjaar reeds twee subsidies in het kader van Bioscoopuitbreng buitenlandse arthouse film of documentaire in Nederland (artikel 13) heeft ontvangen.

§ 2.2. Bioscoopuitbreng buitenlandse kwalitatieve kinder- en jeugdfilm in Nederland

Artikel 16. – Subsidiabele activiteit –

Een aanvraag voor een financiële tegemoetkoming in de kosten voor marketing & promotie, prints & advertising ten behoeve van de Nederlandse bioscoopuitbreng en non-theatrical release, kan worden gedaan voor een buitenlandse kwalitatieve kinder- en jeugdfilm, die geselecteerd is op tenminste één filmfestival die is opgenomen in de lijst International Filmfestivals, zoals vastgelegd in het Financieel & Productioneel Protocol van het Fonds.

Artikel 17. – Beoordelingscriteria –

Voor een toekenning dient:

  • a. de buitenlandse kwalitatieve kinder- en jeugdfilm een onderscheidende kwalitatieve en internationale filmproductie te zijn, met een minimale lengte van 60 minuten (voor peuter- en kleuterfilms kan hierop een uitzondering gemaakt worden).

  • b. het cross mediaal marketing- en distributieplan met bijbehorende marketing- & distributiebegroting en onderliggende garanties omtrent de bioscoopuitbreng en non theatrical release van zodanige kwaliteit te zijn, dat naar het oordeel van het bestuur sprake is van een haalbare, doordachte en realistische publieksbenadering op basis waarvan de filmproductie een optimaal bereik zal hebben.

Artikel 18. – Verplichtingen –

  • 1 De datum van bioscoopuitbreng van de buitenlandse kinder- of jeugdfilm dient ter goedkeuring overgelegd te worden aan het Fonds, waarbij, mede op advies van het NFO en rekening houdend met de specifieke doelgroep, een spreiding van de kinder- en jeugdfilms in de filmtheaters over de verschillende schoolvakanties wordt nagestreefd;

  • 2 In de eerste vier weken van de bioscoopuitbreng dient minimaal 60% van de theaters waarin de filmproductie uitgebracht wordt een filmtheater te zijn.

Artikel 19. – Weigeringsgronden –

In aanvulling op artikel 14 van het Algemeen Reglement, wordt een aanvraag voor een subsidie afgewezen indien:

  • a. er ten behoeve van de kinder- of jeugdfilm reeds een bijdrage op grond van het Deelreglement Distributie is verleend.

  • b. De aanvrager in hetzelfde kalenderjaar reeds twee subsidies in het kader van Bioscoopuitbreng buitenlandse kinder- en jeugdfilm in Nederland (artikel 16) heeft ontvangen.

3. Bijzondere distributie

Artikel 20. – Subsidiabele activiteit –

  • 1 Subsidie kan worden verleend voor bijzondere innovatieve distributieactiviteiten ter versterking van de marketing & promotie en distributie van Nederlandse filmproducties en versterking van een divers distributie en vertoningsklimaat in Nederland in het algemeen. Activiteiten met een duurzame impact krijgen prioriteit.

  • 2 Indien van overheidswege extra budget aan het Fonds beschikbaar gesteld wordt ter bestrijding van de gevolgen van een pandemie, kan het bestuur ter tegemoetkoming een bijdrage toekennen aan rechtspersonen om de gevolgen van de pandemie te ondervangen. Het bestuur maakt in dat geval een aanvraagronde, en de daaraan verbonden voorwaarden, bekend op de website van het Fonds: www.filmfonds.nl.

4. Vertoningsbijdrage

Artikel 21. – Subsidiabele activiteit –

Om de zichtbaarheid van Nederlandse filmproducties in filmtheaters en bioscopen te vergroten, kan het bestuur aan een filmtheater of bioscoop zoals bedoeld in artikel 3 lid 3, op basis van in het voorliggende kalenderjaar geregistreerde betalende bezoekers van Nederlandse majoritaire filmproductie(s) in het betreffende theater een bijdrage beschikbaar stellen waarmee het filmtheater of de bioscoop de vertoning van nieuwe Nederlandse majoritaire filmproducties kan faciliteren. Het bestuur maakt een aanvraagronde en de daaraan verbonden voorwaarden, bekend op de website van het Fonds: www.filmfonds.nl.

Artikel 22. – Vereisten –

  • 1 Het bestuur verbindt in ieder geval de volgende voorwaarden aan een vertoningsbijdrage:

    • a. het filmtheater of de bioscoop vertoont op regelmatige basis Nederlandse majoritaire filmproducties;

    • b. het filmtheater of de bioscoop is aangesloten op het registratiesysteem Maccs Box;

    • c. de majoritaire filmproductie op grond waarvan een aanvraag wordt ingediend betreft een Nederlandse speelfilm of Nederlandse documentaire.

  • 2 Het aantal geregistreerde betalende bezoekers wordt door het bestuur met inachtneming van artikel 23, vastgesteld aan de hand van het gangbare registratiesysteem Maccs Box, dat Nederlandse bioscopen, filmtheaters en filmdistributeurs hanteren voor de bioscoopuitbreng.

Artikel 23. – Weigeringsgronden –

In aanvulling op artikel 14 van het Algemeen Reglement, wordt geen vertoningsbijdrage toegekend op grond van de geregistreerde betalende bezoekers van:

  • a. een filmproductie waaraan geen bijdrage op grond van het Deelreglement Realisering of Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland is verleend;

  • b. een minoritaire coproductie.

Slotbepalingen

Artikel 24

  • 1 In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist het bestuur.

  • 2 Het bestuur kan om zwaarwegende redenen afwijken van dit reglement, voor zover dergelijke afwijkingen verenigbaar zijn met het beoordelingskader voor staatssteun aan de filmsector, zoals dat wordt gehanteerd door de Europese Commissie.

  • 3 Dit reglement is vastgesteld door het bestuur met goedkeuring van de Raad van Toezicht op 25 november 2022 en treedt in werking met ingang van 1 januari 2023.

  • 5 Op alle aanvragen die door het Fonds voor 1 januari 2023 zijn ontvangen blijft het Deelreglement zoals dit gold tot 1 januari 2021 van toepassing.

  • 6 Dit reglement wordt aangehaald als Deelreglement Distributie van de Stichting Nederlands Fonds voor de film.

  • 7 Dit reglement wordt bekendgemaakt door kennisgeving ervan in de Staatscourant en op de website van het Nederlands Fonds voor de Film (www.filmfonds.nl).

Naar boven