Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie

Toekomstige wijziging(en) op 15-11-2025. Zie het overzicht van wijzigingen.
Geraadpleegd op 02-06-2024. Gebruikte datum 'geldig op' 13-03-2024 en zichtdatum 13-03-2024.
Geldend van 15-11-2023 t/m heden

Wet van 15 maart 2023, houdende tijdelijke wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de Faillissementswet en de Wet op de economische delicten in verband met het vergroten van transparantie bij de ontbinding van rechtspersonen zonder baten en de invoering in dat kader van de mogelijkheid van een civielrechtelijk bestuursverbod (Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat er tijdelijk meer behoefte zal zijn om gebruik te maken van de ontbinding zonder baten en dat het daarom wenselijk is om er met een vooralsnog tijdelijke aanpassing van enkele bepalingen in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de Faillissementswet en de Wet op de economische delicten voor te zorgen dat bij het gebruik van dit instrument de transparantie wordt vergroot, de verantwoording daarover wordt verbeterd en misbruik wordt tegengegaan, teneinde het vertrouwen in het instrument te vergroten en misbruik van het instrument tegen te gaan;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel IV

  • 1 Op bestuurders van rechtspersonen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 19b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn ontbonden en gelijktijdig hebben opgehouden te bestaan overeenkomstig artikel 19 lid 1 onderdeel a en lid 4 van dat boek, blijft het op het tijdstip van ontbinding geldende recht van toepassing.

  • 2 Op bestuurders van rechtspersonen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 19c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn ontbonden en gelijktijdig hebben opgehouden te bestaan overeenkomstig artikel 19 lid 1, onderdeel a of e en lid 4 van dat boek, blijft het op het tijdstip van ontbinding geldende recht van toepassing.

  • 4 Op bestuurders van rechtspersonen die na het tijdstip van inwerkingtreding en voor het verval van artikel 19b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn ontbonden en gelijktijdig hebben opgehouden te bestaan overeenkomstig artikel 19 lid 1 onderdeel a en lid 4 van dat boek, blijft het op het tijdstip van ontbinding geldende recht van toepassing.

  • 5 Op bestuurders van rechtspersonen die na het tijdstip van inwerkingtreding en voor het verval van artikel 19c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn ontbonden en gelijktijdig hebben opgehouden te bestaan overeenkomstig artikel 19 lid 1, onderdeel a of e en lid 4 van dat boek, blijft het op het tijdstip van ontbinding geldende recht van toepassing. Aan een verzoek op grond van artikel 19c kunnen alleen feiten en omstandigheden ten grondslag worden gelegd die zich hebben voorgedaan in de periode dat artikel 19c werking heeft.

  • 6 Op bestuurders van rechtspersonen die na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II van deze wet en voor het verval van deze wijziging zijn ontbonden en gelijktijdig hebben opgehouden te bestaan overeenkomstig artikel 19 lid 1, onderdeel a of e en lid 4, blijft het op het tijdstip van ontbinding geldende recht van toepassing.

Artikel VI

  • 1 Met uitzondering van artikel V, treedt deze wet in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

  • 2 Artikel V treedt in werking twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 19b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 3 Onze Minister voor Rechtsbescherming zendt ten minste drie maanden voor de inwerkingtreding van artikel V aan de Staten Generaal een verslag over de werking van deze wet in de praktijk alsmede een standpunt over het voornemen tot wetswijziging om de voorzieningen in deze wet permanent in te voeren.

  • 4 Indien het standpunt, bedoeld in het derde lid, een voornemen tot wetswijziging inhoudt, kan bij koninklijk besluit, in afwijking van het tweede lid, de inwerkingtreding van artikel V met maximaal twee jaar worden uitgesteld. Als binnen deze termijn een voorstel tot wetswijziging is ingediend bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal, duurt dit uitstel voort totdat dat wetsvoorstel na tot wet te zijn verheven in werking is getreden of is verworpen dan wel ingetrokken.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te

’s-Gravenhage, 15 maart 2023

Willem-Alexander

De Minister voor Rechtsbescherming,

F.M. Weerwind

Uitgegeven de vijfde juli 2023

De Minister van Justitie en Veiligheid,

D. Yeşilgöz-Zegerius

Naar boven